Duwen en trekken

Het voortduwen of achter zich aan trekken van voorwerpen kan leiden tot overbelasting. Hierbij moet niet alleen worden gelet op gewicht en afmetingen van de last, maar zeker ook op de aard van de ondergrond, de kwaliteit van de wielen en de aanwezigheid van een helling.Het risico op klachten aan het bewegingsapparaat neemt eveneens toe als (regelmatig optredende) tekenen van vermoeidheid worden genegeerd en de werklast niet wordt aangepast aan de richtlijnen voor het maximaal aanvaardbare niveau van lichamelijke en mechanische belasting.

Gevaren en risico’s

 

Bij duw- en trekbelasting kunnen spieren, banden en gewrichten worden overbelast. Dit kan leiden tot (plaatselijke) spiervermoeidheid, en op den duur tot aandoeningen van spieren, pezen, banden of gewrichten.

 

Het risico op klachten aan het bewegingsapparaat heeft een sterke relatie met de zogenoemde initiële of aanzetkracht. Vooral het snel in beweging willen krijgen van een gewicht of het snel willen overwinnen van een weerstand is belastend.

 

Het risico op klachten aan het bewegingsapparaat neemt eveneens toe als (regelmatig optredende) tekenen van vermoeidheid worden genegeerd en de werklast niet wordt aangepast aan de richtlijnen voor het maximaal aanvaardbare niveau van lichamelijke en mechanische belasting.

 

Trekken wordt in het algemeen als belastender gezien dan duwen omdat bij trekken minder het eigen lichaamsgewicht kan worden ingezet. Pieken in de belasting door het plotseling beginnen met duwen of trekken kunnen plaatselijk spieren, banden en gewrichten overbelasten. Dit kan leiden tot plaatselijke spiervermoeidheid en op den duur tot aandoeningen van spieren, pezen, banden of gewrichten, vooral in de schouders.

 

De volgende belastende factoren spelen een rol bij duwen en trekken, met name bij het ontstaan van gezondheidseffecten:

  • het beladingsgewicht;
  • de aanwezigheid van obstakels (drempels) en hellende vlakken in de rijbaan;
  • de snelheid van het beginnen met trekken of duwen (hoge piekbelasting);
  • trekken met één arm of met beide armen;
  • de loopafstanden;
  • de kwaliteit van de roleigenschappen van de transportmiddelen (soort, grootte en lagering van de wielen);
  • de effenheid van de ondergrond.