Technische maatregelen

Aanvullend op de genoemde organisatorische werkzaamheden moeten er technische maatregelen genomen worden om gevaarlijke situaties te voorkomen of te minimaliseren.
Onderstaande gevaren moeten onderzocht worden (RI&E) en daar waar van toepassing de genoemde beheersmaatregelen toepassen.

Gevaar voor verwonding (gladheid, bewegingsruimte, machine veiligheid)

Beheersmaatregel: Veilig inrichten werkplek (1. Bronaanpak)
Doordat in een besloten ruimte meestal geen sprake is van een vlakke werkvloer, is het gevaar van verwonding door vallen, stoten, vallende voorwerpen en bewegende machinedelen in verhoogde mate aanwezig.
Het gevaar om te vallen neemt toe als de trappen, leuningen en vloer vuil en glad zijn. Bovendien worden de mogelijkheden tot het nemen van doeltreffende voorzorgsmaatregelen meestal beperkt door de constructie en de uitrusting van de ruimten. Daardoor zijn de ruimten vaak ook moeilijk te verlichten.
Een bijkomend probleem is dat door het dragen van beschermende kleding en eventueel ademhalingsapparatuur de werknemers beperkt worden in hun bewegingsmogelijkheden.
Bij lage luchtvochtigheid, bv vorst, kan kleding statisch worden waardoor vonken kunnen ontstaan.
Veilig inrichten van de werkplek betekent:

  • Opruimen en schoon maken van de ruimte;
  • Bewegende delen van machines moeten stilgezet worden, machines voor de werkzaamheden dienen afgeschermd te worden;
  • Beschermende kleding passend bij risico van werkzaamheden en omgeving;
  • Spanningsloos werken bij onderhoud aan machines;

 

Gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging.

Beheersmaatregel: (Visueel)Inspecteren en meten (2.Collectieve maatregel)
De werkzaamheden in de besloten ruimte mogen pas beginnen als met zekerheid is vastgesteld dat de situatie veilig is. Bij een visuele inspectie mag men niet onbeschermd de ruimte betreden, deze inspectie is geen vervanging van het (wettelijk vastgelegde)onderzoek en is bedoeld om te letten op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en materialen die voor gevaarlijke situaties kunnen zorgen.
Bij onvoldoende informatie over de te betreden ruimte is het noodzakelijk dat de visuele inspectie wordt verricht door een deskundige.
Het meten van de concentraties en het beoordelen hiervan, dient te geschieden door een deskundige, iemand die hiertoe is opgeleid en in staat is waarnemingen op de juiste wijze te interpreteren.
De ruimte mag pas worden betreden als de deskundige heeft vastgesteld dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de zuurstofconcentratie is 18 - 21 vol.%;
  • de concentratie explosieve en brandbare gassen en dampen is
  • lager dan 10% van de onderste explosiegrens (LEL = Lower Explosion Limit);
  • de concentraties van giftige gassen, dampen, nevel en stof zijn lager dan de voorheen wettelijk vastgestelde MAC-waarde=Maximaal Aanvaarde Concentratie. Er dient nu te worden gesproken over (europees vastgelegde)Publieke Grenswaarden of bij het ontbreken daarvan over (door de branche vastgestelde); Private Grenswaarden.


Als er tijdens de werkzaamheden geen verandering in de zuurstofconcentratie of gevaarlijke stoffen kan optreden, mag de ruimte zonder ademhalings beschermingsmiddelen worden betreden. Bij werkzaamheden zoals lassen, snijen of aanwezigheid van gevaarlijke stoffen moet er ook tijdens de werkzaamheden worden gemeten.

Beheersmaatregel: Toegang en extra mangat (2. Collectieve maatregel)
De toegangswegen en de omgeving van de besloten ruimten moeten vrijgehouden worden. Indien er sprake is van werkzaamheden in lange buisstelssels, bv kabelstrekken, wordt aanbevolen een extra mangat aan te brengen die kan dienen als nooduitgang en zorgt voor extra ventilatie.

Beheersmaatregel: Ventilatie (2. Collectieve maatregel)
Vóór en tijdens de werkzaamheden moet de besloten ruimte worden geventileerd, ook al blijkt uit de metingen dat de situatie veilig is. Door ventilatie worden evt gevaarlijke stoffen verwijderd die al in de lucht van de besloten ruimte aanwezig waren en die ontstaan tijdens de werkzaamheden.
Er zijn twee manieren om te ventileren: ruimteventilatie en plaatselijke afzuiging.
Bij ruimteventilatie wordt door één van de toegangen met een ventilator verse lucht naar binnen geblazen. Plaatselijke afzuiging wordt toegepast als er werkzaamheden worden uitgevoerd waarbij gassen en dampen vrijkomen. Dit type afzuiging zuigt de verontrenigde lucht uit de ruimte. Tijdens de werkzaamheden moet de capaciteit van de ventilatie bewaakt worden.

  • Gevaar voor brand en explosie


Beheersmaatregel: Elektrische apparatuur en verlichting (2. Collectieve maatregel)
Er mag alleen explosievrije elektrische apparatuur en verlichting worden gebruikt.
Indien er gezien de aard van de besloten ruimte en de werkzaamheden onderzocht is dat er geen brand- of explosiegevaar is mogen verplaatsbare verlichtingsarmaturen en elektrisch gereedschap met 220v gebruikt worden.
Indien er wel brand- en explosiegevaar is moet de apparatuur voldoen aan de Europese regelgeving.
Gereedschap mag niet van aluminium zijn i.v.m. vonkgevaar.In ruimten met geleidende wanden, plafonds of vloeren mag alleen gebruik gemaakt worden van verplaatsbaar gereedschap en verlichtingsarmaturen van max 50v wisselspanning of max 120v gelijkspanning. Zie ook bij gevaar voor electrocutie.

Beheersmaatregel: Noodverlichting (2. Collectieve maatregel)
Indien de ruimte niet is voorzien van noodverlichting moet de werknemer beschikken over individuele explosie- en vonkvrije verlichting.

Beheersmaatregel: Blusmiddelen en veiligheidsvoorzieningen. (2. Collectieve maatregel)

  • Bij las-, slijp-, en snijwerkzaamheden, open vuur of wanneer er vonkgevaar bestaat, moeten er geschikte blusmiddelen Geen CO2) binnen handbereik beschikbaar zijn.
  • Gas- en zuurstofcilinders, die bij de werkzaamheden moeten worden gebruikt mogen nooit in de besloten ruimte worden geplaatst.
  • Branders, slangen en slangaansluitingen dienen buiten de besloten ruimte, vóór het betreden van de ruimte op lekkage gecontroleerd te worden.
  • Snelkoppelingen binnen besloten ruimte zijn verboden.
  • In de toevoerleidingen van brandbare gassen, die bij lassen en snijden worden gebruikt, dient een vacuümventiel te zijn opgenomen, die bij het onklaar maken van de gastoevoerleiding de toevoer van het gas onmiddellijk stopt. Deze voorziening kan alleen worden toegepast op zogenaamde injecteurbranders.
  • Bij een pauze worden de branders en slangen uit de besloten ruimte gehaald.


Beheersmaatregel: Apparatuur buiten de besloten ruimte (2. Collectieve maatregel)
De afstand tussen de apparatuur/machines en de besloten ruimte dient zo groot mogelijk te zijn. Op deze manier wordt voorkomen dat vloeistoffen, gassen,dampen of vonken in de besloten ruimte terechtkomen. Ook wordt zo voorkomen dat de compressor waarop de ademhalingsbeschermingsmiddelen zijn aangesloten schadelijke stoffen vanuit de besloten ruimte aanzuigt. De windrichting is hierbij van invloed. Voortdurende controle van de windrichting tijdens de werkzaamheden is noodzakelijk.

  • Gevaar voor electrocutie.


Bij onderhoud aan machines, gebruik van arbeidsmiddelen en de eigenschappen van de besloten ruimte (b.v.geleidende plafonds en wanden) moeten beheersmaatregelen genomen worden om electrocutiegevaar te voorkomen.
Bij het werken aan machines dient altijd spanningsloos gewerkt te worden.
Gereedschappen dienen te voldoen aan de NEN 1010 en de Persoonlijke Beschermingsmiddelen aan het NormkaderVeiligWerken (NVW) 2013.
Voor uitgebreide informatie kunt u binnenkort doorlinken naar het apart uitgewerkte risico in deze arbocatalogus electrocutiegevaar.

Graven van sleuven ivm kabels en buizen

 

Diepe en smalle putten en sleuven beschouwt men als besloten ruimten.
Als vuistregel kan bij ‘putten’ worden aangehouden: h/d > 0,2 (waarin h = hoogte van de put; d = equivalente diameter van de put).
Beheersmaatregelen:
Veilig buizen en kabels leggen http://www.arbovakbase.nl/artikel/putten-en-sleuven-11553.html

Gebruik Persoonlijke Beschermings Middelen

 

De gebruikte persoonlijke beschermingsmiddelen moeten toegesneden zijn op de werkzaamheden:

  • Onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddel (geen filtermaskers).
  • Beschermende kleding , minimaal oranje signaal vest (bij explosiegevaar anti-statische kleding).
  • Werkhandschoenen, overeenkomend met het vastgestelde risico niveau van de werkzaamheden in de RI&E
  • Veiligheidshelm of stootcap.
  • Oogbeschermingsmiddelen.
  • Gehoorbescherming.
  • Valgordel.


Tijdens de werkzaamheden is eten, drinken of roken niet toegestaan. Ook de persoonlijke hygiëne moet extra in acht genomen worden.